'Le prophète' van J.Meyerbeer
Een vertaling van de synopsis uit het Engels door Erny van de Kleut
Grand Opera in het Frans, in vijf bedrijven, van Giacomo Meyerbeer
Libretto van Eugene Scribe
Eerste uitvoering op 16 april 1849, in de Opera van Parijs
Rolverdeling
Fides
Jan van Leyden
Berthe
De graaf van Oberthal
De drie Anabaptisten (Zacharias, Jonas, Mathijsen)
Boeren, soldaten, kinderen
Het verhaal is opgehangen aan de avonturen van Jan van Leiden, die zich in 1534 in Münster tot koning liet kronen.
De opera heeft slechts een korte prelude (Meyerbeer schreef wel een ouverture voor deze opera maar het is niet verder gekomen dan een pianoversie.)
Als het doek opgaat, toont het podium een landelijk tafereel: het landgoed van de graaf van Dordrecht, met boerenhuisjes, een bruggetje en korenmolens. De dag breekt aan. Een herder speelt op zijn fluit en zijn spel wordt vanuit de verte beantwoord. Boerenarbeiders komen uit hun huisjes met hun landbouwwerktuigen en molenaars sjouwen met zakken meel.
Op het veld bezingen de boeren het mooie weer. Berthe, een jong boerenmeisje is verliefd op Jan. Zij krijgt bezoek van Jans moeder, die komt vragen of Berthe bij haar en haar zoon in Leiden wil komen wonen. Namens Jan geeft ze Berthe een verlovingsring. Hoewel Berthe graag met haar zou meegaan zegt ze, dat ze als horige daarvoor eerst toestemming van de graaf nodig heeft. Ze besluiten naar het kasteel te gaan om die te gaan vragen.
Dan komen drie Wederdopers op: Zacharias, Jonas en Matthijs. Ze zijn de leiders van een opstand tegen de heersende macht in het nabijgelegen Westfalen. Ze roepen op tot gebed en beloven dat de rollen omgedraaid zullen worden en dat de heersers dan onderdrukten zullen zijn. De boeren beantwoorden de oproep tot opstand en bewapenen zich met hooivorken. Maar dan verschijnt de Graaf die de bevolking tot kalmte maant. Hij herkent in één van hen een bediende, die hem bestolen heeft en beveelt zijn soldaten de drie Wederdopers van zijn land te jagen.
Berthe wordt door Fides naar voren geduwd om toestemming voor haar huwelijk met Jan te vragen, maar de Graaf weigert. Als iedereen daartegen protesteert, worden Berthe en Fides gearresteerd. De boerenbevolking drijft af, maar niet nadat de drie oproerkraaiers nog even ten tonele verschijnen om de mensen te zegenen en het kasteel en zijn bewoners met de ondergang te bedreigen.
Akte II
In de herberg van Jan van Leiden is het een vrolijke boel. Er wordt gedanst en gezongen en een toast uitgebracht op Jan, die op de komst van zijn moeder en bruid wacht. Tot de aanwezigen behoren ook de drie Wederdopers. Ze zien in Jan een sterke gelijkenis met een beeld van koning David. Op hun vraag wie hij is krijgen ze te horen, dat Jan een zeer rechtschapen en dapper mens is en zo godsvruchtig, dat hij de Bijbel uit zijn hoofd kan opzeggen. Als de Wederdopers hem aanspreken vertelt Jan, dat hij al twee keer een vreemde, angstaanjagende droom heeft gehad. Daarin had hij een kroon op zijn hoofd en de mensen lagen aan zijn voeten. Hij zou de Messias, de zoon van god zijn. Maar in zijn droom werd ook voorspeld, dat hij zou worden meegesleurd in een rivier van bloed. De Wederdopers zien zijn verhaal als een profetie en vragen Jan met hun mee te gaan, maar Jan weigert.
Berthe komt binnen en stort zich in zijn armen. Als hij hoort dat de graaf haar achtervolgt, verstopt hij haar. Niet veel later verschijnt de graaf en eist dat zijn gevluchte gevangene onmiddellijk wordt uitgeleverd. Hij geeft Jan de keus: zijn geliefde of zijn moeder. Als Jan weigert op dat voorstel in te gaan, wordt zijn moeder naar binnengesleurd en de graaf dreigt haar ter plekke met de bijl te onthoofden. Jan kiest voor zijn moeder en levert zijn vriendin uit. Zijn moeder bedankt hem omdat hij voor haar heeft gekozen, maar Jan wordt gekweld door hevige wroeging en haat.
Hij besluit zich aan te sluiten bij de Wederdopers om wraak te nemen. De verheugde Wederdopers, die in hem de leider van de opstand tegen de graaf zien en daarna een toekomstige koning van Munster, drukken hem wel op het hart dat hij door mee te doen zijn land en zijn moeder nooit meer zal zien. Dat dringt echter niet tot Jan door.
Akte III
Een kamp in het bos van Westfalen aan de rand van een bevroren meer. In de verte klinken geluiden van een hevige strijd. De opstandelingen zijn overwinnaars en komen met de krijgsgevangenen op. Het kasteel in Dordrecht is belegerd en in de as gelegd, maar de graaf is gevlucht. Wat ze niet weten is, dat deze zich als spion gemengd heeft in het gezelschap van de Wederdopers. Ter gelegenheid van de overwinning er is feest in het kamp met ballet en zang. De Graaf luistert een gesprek af dat in de tent van Zacharias wordt gevoerd. Zo hoort hij, dat er een nachtelijke aanval op het kasteel zijn vader, de graaf in Münster, wordt beraamd. Hij wordt echter betrapt.
Jan van Leijden heeft er genoeg van om als profeet te worden behandeld. Hij beseft dat hij feitelijk wordt gebruikt om de plannen van een stel gewiekste moordenaars uit te voeren. Hij wil zijn moeder zien, maar de Wederdopers dreigen hem te doden als hij zijn rol als profeet niet blijft volhouden. Graaf Oberthal wordt binnengebracht. Hij betuigt zijn spijt voor wat hij Jan heeft aangedaan en vertelt ook dat Berthe geprobeerd heeft zichzelf te verdrinken, maar dat ze gered is en nu in Munster vertoeft. Jan dringt aan het leven van Oberthal te sparen, maar dat Berthe zijn lot mag bepalen. In het kamp heerst onrust door het uitstellen van aanval op het kasteel. De manschappen denken dat Jan een valse profeet is. Maar de mist trekt op en ze kunnen onder leiding van Jan de aanval op Munster beginnen.
Akte IV
Munster is verslagen en de rijke burgers moeten hun bezit afstaan aan de overwinnaars. Ze vervloeken de Profeet, maar wanneer een patrouille voorbij komt, roepen ze luid 'Leve de profeet'. Fides die ook in Munster is aangekomen, heeft zich verkleed als bedelares. Ze denkt dat Jan dood is.
In de kathedraal van Munster wordt de Kroningsmars gespeeld ter gelegenheid van de kroning van Jan als koning van Munster. Jan herinnert zich zijn dromen. Na de kroning herkent Fides haar zoon in de nieuwe koning. Ze roept hem en Jan wil naar haar toesnellen. Hij wordt echter tegengehouden door Matthijs. Fides realiseert zich dat zij de oorzaak van de Jans ondergang kan zijn en ontkent nu in alle toonaarden, dat zij zijn moeder is. De volgelingen van de Profeet vinden dit godslastering en de oude vrouw wordt in de kerker geworpen.
Akte V
In de kerker van het paleis in Munster vindt een geheime bijeenkomst van de wederdopers plaats. Ze willen Jan willen uitleveren aan de Duitse keizer, die met een groot leger al opmarcheert naar Munster. Als Jan aan hem wordt uitgeleverd, krijgen ze vrijgeleide.
Jan zoekt zijn moeder in de kerker op. Ze vraagt hem om vergeving voor de scène in de kerk. Dan komt Berthe de cel binnen. Ze wil het hele paleis opblazen als de Profeet en zijn volgelingen aan het banket aanzitten in de grote zaal, die zich precies boven de kerker bevindt. Dan herkent ze Jan. Als hij onthult dat hij de profeet is, steekt ze zich met een groot mes in de borst en sterft, maar niet nadat ze nog voor hem haar liefde bezingt. Maar ze vervloekt hem nu door zichzelf het leven te benemen. Jan, bij wie nu de schellen van de ogen vallen, besluit de Wederdopers allemaal 'over de kling' te jagen.
Eerst doet hij het spelletje mee, maar later als hij aanzit aan een groot banket vindt zijn wraak plaats. Als de keizerlijke troepen de zaal binnenkomen, ontploft het kruit in de kelder en vlammen stijgen op vanuit de vloer. Het kasteel vliegt in de lucht inclusief Jan en zijn moeder.
Einde van de voorstelling.
Omhoog
Geschiedkundig (bron: Wikipedia)
Jan van Leijden (1509-1553) werd geboren als zoon van Jan Beukels en de dienstmeid Aleke. Hij leerde het kleermakersvak en werkte in Vlaanderen en Engeland. Hij trok naar Leiden en trouwde met de weduwe van een schipper. Als koopman reisde hij naar Lübeck en Lissabon. Uiteindelijk dreef hij in Leiden de herberg In den Witte Lely, was meesterzanger, rijmdichter en toneelspeler bij de stedelijke festiviteiten.
In 1533 leerde Jan van Leiden de Wederdoper Jan Matthijs kennen en liet zich door hem dopen. Zijn belangstelling voor deze nieuwe christelijke groepering was al eerder gewekt toen hij bij een bezoek aan Münster een preek van Bernhard Rottmann had gehoord.
Het Wederdopersrijk in Münster
Jan Matthijs stuurde Jan van Leiden als apostel naar Münster, om de Wederdopers daar te ondersteunen. Al gauw werd hij naast Matthijs leider van de Wederdopers in de stad. De Wederdopers kregen de meerderheid in de gemeenteraad en maakten van Münster een van hun bolwerken. De uit de stad verdreven bisschop Frans van Waldeck belegerde de stad al sinds 28 februari 1534 met hulp van troepen van de landgraaf Filips van Hessen.
Jan Matthijs kwam bij een uitval uit de belegerde stad om het leven op 4 april 1535. Jan van Leiden werd toen de enige leider van de Wederdopers in Münster. Hij nam de titel van koning aan en richtte het theocratische “Koninkrijk Sion” op. Hij omgaf zich met een luisterrijke hofhouding.
Met behulp van een raad van "12 Apostelen" en met zijn stadhouder/scherprechter Berend Knipperdolling en "Rijkskanselier" Heinrich Krechting zou Jan van Leiden een waar schrikbewind hebben uitgeoefend en ieder verzet in bloed hebben gesmoord.
Zo liet hij ter voorbereiding op de vermeende naderende Apocalyps alle boeken, behalve de Bijbel verbranden, geld werd afgeschaft en polygamie en gemeenschap van goederen werden ingevoerd. Op overtreding van de Tien Geboden stond de doodstraf.
Jan van Leiden had 17 vrouwen. Hij zou een van hen, Elisabeth Wandscherer, publiekelijk zelf hebben onthoofd omdat ze hem wilde verlaten.
Enige twijfel over de historische juistheid van deze overleveringen is op zijn plaats. De kerkelijke en wereldlijke autoriteiten lieten deze verhalen na hun overwinning op de Wederdoperbeweging ter afschrikking verspreiden.
Aan het Doperrijk van Jan van Leiden kwam een eind toen de troepen van de bisschop en de landgraaf van Hessen op 25 juni 1535 Münster als gevolg van verraad innamen. Na verbitterde straatgevechten werden de aanhangers van de Wederdopers verslagen. De Tegenreformatie nam zijn loop en bood alle Wederdopers en ook Lutheranen de keuze tussen terugkeer naar het katholieke geloof of strafvervolging.
Doodgefolterd
Antonius Corvinus (1501-1553) wilde ook Jan van Leiden, Berend Knipperdolling en Berend Krechting bekeren. Omdat hij daar niet in slaagde werden ze op 22 januari 1536 doodgefolterd. Ter afschrikking werden hun lichamen in ijzeren kooien opgehangen aan de toren van Lambertikerk in Münster. Daarin lagen de lichamen tot 1585 te vergaan. Die kooien zijn nog steeds te bezichtigen. Hoofdprediker Bernhard Rotmann en Berend Krechtings broer Hendrik wisten te ontsnappen. Hendrik Krechting verkondigde het Doperdom later in Oldenburg.
Omhoog
De Doopsgezinden in Nederland
Menno Simons (1496-1561):
Dopers:
De eerste echte effecten van de hervormingsbeweging bereikten ons land rond het jaar 1530. Al geruime tijd was er een aantal stromingen actief. Soms waren ze heel radicaal en gewelddadig, zodanig dat de verkondigers het met de dood moesten bekopen. Maar radicaal of niet: alle dopers werden vogelvrij verklaard. Alleen al in de Nederlanden stierven er tussen 1531 en 1597 meer dan 2000 van hen de marteldood. Voor Menno Simons, die al vanaf 1533 pastoor in zijn geboorteplaats was, waren de jaren van twijfel toen al gaande. Hoewel zijn ideeën anders waren dan de gebruikelijke standpunten in de katholieke kerk, kwam het nog niet tot een breuk.
Twijfel:
Onthoofdingen en terechtstellingen van geloofsgenoten deden bij Menno Simons de twijfels steeds verder doen toenemen. Hoewel hij niets moest hebben van alle gewelddaden, voelde hij zich er wel degelijk verantwoordelijk voor. In de loop van 1535 nam hij het besluit om "de rechten grond der waerheyd bloot te leggen". In zijn preken begon hij daarom tot het oproepen tot echt berouw, zonde en goddeloosheid te veroordelen en Christus' opvattingen over doop en avondmaal te verkondigen. Maar het duurde nog tot het begin 1536 voordat Menno Simons echt kleur bekende. In dat jaar legde hij zijn ambt neer om zich te begeven onder Christus Drukkend Kruis.
Onderdak:
De leidsman dook onder en oefende zich met' Lesen ende Schrijven in der stilheydt in des Heeren Woord'. Hij sloot zich definitief aan bij de wederdopers en liet zich overhalen een leidende positie in te nemen. In 1537 werd hij in Groningen oudste of bisschop. Omdat ook op zijn hoofd een prijs was gezet, was Menno Simons gedwongen een zwervend bestaan te leiden. Dopend, avondmaal vierend, onderwijzend, adviserend, en bemiddelend trok hij door de Noordelijke Nederlanden en Noord Duitsland. Uiteindelijk vonden Menno Simons en een aantal van zijn volgelingen onderdak in Sleeswijk-Holstein. Bij Oldeslo bracht hij de laatste 7 jaar van zijn leven door. Daar had hij een drukkerij, waar oude geschriften herdrukt werden en nieuwe verschenen. Hij produceerde voornamelijk verweerschriften, die, omdat ze verboden lectuur waren, als kleine en gemakkelijk weg te moffelen boekjes werden uitgegeven.
Geloofsopvattingen:
In 1539 zette Menno Simons in zijn geschrift Dat Fundament des Christelycken leers de doperse geloofsopvattingen op een rij: De Bijbel als fundament van leer en leven, de gelovigendoop op volwassen leeftijd na een persoonlijke belijdenis, het avondmaal als gedachtenismaal en noodzaak tot zelfonderzoek, afwijzing van de eed, van de wapendracht en van de betrokkenheid bij (kapitale) vonnissen, weigering van overheidsambten, een Gemeente als Gemeenschap van Heiligen in eenheid, vrede en een sobere levenswijze. Bij de tijd en openstaan!
Vredeskerk:
Het was ontegenzeggelijk de verdienste van Menno Simons dat Gemeenten werden geïnstitutionaliseerd. Voortaan vormden de doopsgezinden een vredeskerk. Menno Simons werd hiermee de enige hervormer van Nederlandse bodem die een eigen wereldwijde geloofsgemeenschap naliet: de broederschap van Mennonieten of mennisten dan wel doopsgezinden met ongeveer (reeds meer) dan een miljoen leden.
Omhoog |